Forum

Planten als individuen

Piet Bremer schreef eind 2016 een kort verhaal over plantendemografie in het tijdschrift Natura van de KNNV: https://www.knnv.nl/natura.

Naar vogels kijken kan gepaard gaan met tellen. Wie naar planten kijkt doet dat meestal niet, terwijl tellen ook hier een interessante mogelijkheid is.

Een artikel over hondskruid was mijn inspiratiebron om beter naar planten te kijken, om te kijken of je planten ook als individuen kunt herkennen en kunt volgen. De tongvaren kwam hier als eerste voor in aanmerking. Het was in de jaren zeventig nog een tamelijk zeldzame soort, maar met goed herkenbare individuen. Herkenning van individuen is bij planten enerzijds heel simpel is - deplanten lopen of vliegen niet weg. Maar anderzijds kan het bij veel soorten lastig zijn. Zij vormen bijvoorbeeld niet herkenbare klonen, zoals grassen. Of goed herkenbare individuen, maar die groeien snel en zien er na een jaar heel anders uit. Om ze terug te vinden zijn er dan twee opties: je merkt alle planten of je tekent ze op een kaart in. Een combinatie verdient zonder meer de voorkeur. Planten zijn te merken met stokjes, labeltjes op metalen draadjes of je kunt ze ringen. Maar wat als een bosmuis aan zo'n label knaagt of door regen de watervaste viltstift niet zo watervast blijkt? Een kaart maken waarop de individuen netjes zijn ingetekend is dan wel zo handig om er zeker van te zijn dat je geen vergissingen maakt.
Een jaar na een eerste meting is het wel spannend om te zien wat er is gebeurd. Planten kunnen verdwenen zijn, ze kunnen er nog staan of er zijn nieuwe bij gekomen. Wat je ontdekt is dat de populatie uit verschillende levensstadia bestaat, gelijk bij mensen. Planten ontwikkelen zich uit zaad tot kiemplant, ontwikkelen zich daarna tot juveniele planten, maken een tienerfase door (die we subadult noemen) om ten slotte volwassen te worden, een fase met bloei en vorming van zaden of sporen.
Bij een onderzoekje aan de rietorchis bleek dat veel planten het ene jaar bloeien en het jaar daarop moeten herstellen om het jaar het volgende jaar weer in bloei te kunnen komen. Een enkeling presteert het wel jaarlijks te bloeien en andere slaan meerdere jaren over. Zo blijkt dat het alleen tellen van
bloeiende rietorchissen niets zegt over hoe groot de populatie werkelijk is, iets wat voor meer soorten orchideeën geldt. Van het overgrote deel van de Nederlandse flora weten we weinig over veranderingen in populaties en demografie. Voor wie zich wil verdiepen in het bestuderen van plantenpopulaties biedt de KNNV-uitgave "Planten tellen" een leidraad om zelf aan de slag te gaan. Dat hoeft niet per se wetenschappelijk. Ik bedoel hiermee dat als je bijvoorbeeld het effect van begrazing op een polvormende soort wilt nagaan, zoals ruwe smele, je zowel drie proefvakken met als zonder begrazing zou moeten bestuderen, met circa honderd planten per proefvak. Dan kun je met de data allerlei berekeningen uitvoeren, maar dat hoeft natuurlijk niet. Natuuronderzoek is vooral gedreven door nieuwsgierigheid en verwondering. Daarom heb ik ervoor gekozen niet zes proefvakken voor een soort bij te houden, maar zes soorten met een proefvak. Ik weet daardoor nu iets meer van de echte kruisdistel, smalle beukvaren, bosbies, vetblad, kaal breukkruid en pilzegge.
Een tip voor de beginner: polvormende plantensoorten zijn relatief makkelijk te bestuderen. Andere groepen, zoals waterplanten, zijn erg lastig en zelden onderzocht.

Piet Bremer is lid van de KNNV-afdeling Zwolle en een van de auteurs van het boek Planten tellen


Reactie:Afzender:E-mail adres:

Houdt u er rekening mee dat onze webbeheerder uw reactie eerst moet goedkeuren. Het kan dus enige tijd duren voordat uw voorstel geplaatst wordt. E-mailadres is verplicht, maar wordt niet online weergegeven.