Forum

zachte ooievaarsbek

Geachte auteurs,

Ik ben bezig met opzetten van een onderzoek naar de achteruitgang van het bruin blauwtje in de omgeving van Hilversum. Het bruin blauwtje maakt waarschijnlijk gebruik van de zachte ooievaarsbek als waardplant, omdat deze plant veel meer voorkomt dan de andere waardplanten zoals de reigersbek. Door een demografische onderzoek te starten naar de zachte ooievaarsbek hoop ik antwoord te krijgen op de achteruitgang van deze vlindersoort. Uiteraard neem ook andere factoren mee zoals de aanwezigheid van voldoende nectarplanten en vegetatie gradienten.

Tijdens het opzetten van het onderzoek heb ik een ˜test ronde" uitgevoerd, om eventuele fouten en problemen uit te sluiten. Nu liep ik tegen het volgende probleem aan.

In het onderzoeksgebied staan de planten zeer verspreid. Natuurlijk heeft dit alles te maken met de levensstrategie van de zachte ooievaarsbek. Door de verspreiding zal ik een groot proefvlak moeten vast leggen om aan de minimale eis van 80 planten te kunnen voldoen. Een ander punt is dat deze eenjarige plant zich jaarlijks verplaatst binnen onderzoeksgebied. Ook hiervoor moet het proefvlak van voldoende omvang zijn om het proces dit goed vast te leggen. Dit betekent alleen de methode van de driehoeksmeting kan worden toegepast. Het probleem met driehoeksmetingen dat er veel tijd kost om de planten in te meten en zeker als het om eenjarige gaat. Doordat de aantallen per ronde zeer variabel kunnen zijn. Dit hangt samen met de mate de bodem verstoring. Bij de juiste omstandigheden kunnen de aantallen oplopen tot honderden planten per proefvlak.

Ik heb de volgende vragen:
- is mijn bovengenoemde redenatie juist;
- zijn er voorbeelden van demografisch onderzoek naar eenjarige;
- is er een andere methode.

Misschien is het voldoende om alleen het aantal planten binnen het proefvlak te tellen.

Met vriendelijk groet,

Martin Waanders


Piet Bremer
Hallo Martin, De vraag is in eerste instantie; is Geranium molle is een strikt eenjarige soort (kan me voorstellen dat er ook planten meerjarig zijn). Stel dat de soort eenjarig is dan heb je geen overgangen van een op andere jaar (jaar transities), maar voor je aan vlinders gerelateerd onderzoek kan het nog steeds heel aardig zijn om de soort te volgen. Dat kan ook binnen een jaar. Wanneer is er kieming, najaar, voorjaar, of beide, waar staan de planten, hoe snel zijn ze volwassen (eerste bloei), wanneer zijn grote volwassen planten (rijke bloei), wat voor invloed hebben allerlei factoren op de overleving (vraat, minering, vorst, droogte etc.). In plaats van jaren te volgen volg je dan een populatie 1 (zomerannuel) of 2 jaar (winterannuel). En in plaats van 1x per jaar, nu 1x per 2 maanden. Strikt wetenschappelijk gezien heb je die 80 per proefvak nodig, maar iets minder hoeft ook geen ramp te zijn als de soort tamelijk uniform reageert. Probleem blijft wel, hoe vind ik al die planten verspreid terug. Het handigst zou zijn bij elke plant een stokje met volgnummer, maar wat als dieren en/of mensen, die kapotmaken. Dan blijft er niets anders over toch planten in te tekenen met goed terug te vinden punten in het veld. Je kunt ook plek uitzoeken waar er nu al veel planten bij elkaar staan en met telraam planten in te tekenen. Terug vinden is het makkelijkst als in de grond metalen plaatje te plaatsen is dat je met metaal detector terug vindt. In mijn Kievitsbloem pq bleek dat niet meer te werken. Metaal was na enkele jaren geheel gecorrodeerd. Gelukkig had ik nog heel ondiep plastic bakje ingegraven met bodem bovenaan dat makkelijke terug was te vinden en met schets kon ik toen pq terugvinden. Dus pq moet altijd op 2 manieren terug te vinden zijn. Als je om de 2 maanden terugkomt zal je een en ander sneller terugvinden dan als je 1x per jaar bij pq komt. Gr. Piet

Reactie:Afzender:E-mail adres:

Houdt u er rekening mee dat onze webbeheerder uw reactie eerst moet goedkeuren. Het kan dus enige tijd duren voordat uw voorstel geplaatst wordt. E-mailadres is verplicht, maar wordt niet online weergegeven.